Aeconsultancy



Fiscale aspecten van de Wet toekomst pensioenen

Fiscale aspecten van de Wet toekomst pensioenen

Samenvatting van de essenties op hoofdlijnen, per thema

Eric Frans, pensioenspecialist    |    juni 2026

De Wet toekomst pensioenen (Wtp) herziet het fiscale kader voor pensioen en lijfrente ingrijpend. Onderstaande samenvatting zet de belangrijkste fiscale aspecten beknopt op een rij, geordend per thema. Bedragen worden jaarlijks geïndexeerd en de premiegrens wordt periodiek herijkt. Ga voor een concrete situatie altijd uit van de op dat moment geldende cijfers en regelgeving.

  1. Van uitkeringsovereenkomst naar premieovereenkomst

Onder de Wtp is de premieovereenkomst de enige toegestane pensioenvorm. De uitkeringsovereenkomst (eindloon en middelloon) en de kapitaalovereenkomst verdwijnen. Fiscaal verschuift de begrenzing daarmee van de aanspraak naar de inleg: niet langer de op te bouwen aanspraak, maar uitsluitend de premie is genormeerd.

  • Solidaire premieovereenkomst: één collectief beleggingsbeleid, collectieve risicodeling en een verplichte solidariteitsreserve.
  • Flexibele premieovereenkomst: individueel pensioenkapitaal met life-cycle beleggen en een gescheiden opbouw- en uitkeringsfase.
  • Premie-uitkeringsovereenkomst: een zuivere premieregeling waarbij vanaf vijftien jaar vóór de AOW-leeftijd een gegarandeerde uitkering kan worden ingekocht (uitsluitend bij verzekeraars).
  1. Toegestane opbouw en premiegrens

De leeftijdsonafhankelijke (vlakke) premie vervangt de progressieve staffel. Daarmee eindigt de doorsneesystematiek en is sprake van degressieve opbouw.

  • De fiscale premiegrens voor ouderdomspensioen en partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum bedraagt maximaal 30% van de pensioengrondslag. Dit percentage wordt periodiek herijkt op basis van de DNB-scenarioset, voor het eerst per 2037 en daarna elke vijf jaar, met een aankondigingstermijn van drie jaar.
  • De pensioengrondslag is het pensioengevend loon verminderd met de franchise (jaarlijks geïndexeerd). Alleen de franchisemethode blijft toegestaan. De inbouwmethode vervalt.
  • De premiegrens is inclusief vermogensbeheerkosten en het afdekken van beleggingsrisico, en exclusief administratie-, incasso- en excasso kosten en de risicopremies voor partnerpensioen vóór pensioendatum, wezenpensioen, nabestaandenoverbruggingspensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling bij invaliditeit. Die risicopremies zijn additioneel aftrekbaar.

  

  1. Pensioenvormen
  • Ouderdomspensioen: pensioenrichtleeftijd 68 jaar. Ingang niet eerder dan tien jaar vóór en niet later dan vijf jaar ná de AOW-leeftijd. De aankooptermijn wordt geharmoniseerd met de derde pijler.
  • Partnerpensioen vóór pensioendatum: maximaal 50% van het laatstgenoten pensioengevend loon, verplicht op risicobasis en diensttijdonafhankelijk. Opbouw is niet langer toegestaan.
  • Partnerpensioen op of na pensioendatum: maximaal 70% van het ouderdomspensioen, op opbouwbasis en onderdeel van het pensioenkapitaal.
  • Wezenpensioen: maximaal 20% (halfwees) en 40% (volle wees) van het laatstgenoten loon, op risicobasis en diensttijdonafhankelijk. De eindleeftijd daalt van 30 naar 25 jaar.
  • Arbeidsongeschiktheidspensioen: fiscaal ongewijzigd, maximaal 100% van het laatstgenoten loon en op risicobasis. De premie mag leeftijdsafhankelijk blijven, behalve bij verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen.
  • Nabestaandenoverbruggingspensioen: bestaat nog uitsluitend uit Anw-compensatie. De premiecompensatie vervalt. Risicobasis, eindleeftijd wezen 25 jaar.
  • Het deelnemingsjarenpensioen vervalt. Daarnaast geldt een uniform partnerbegrip voor zowel de Pensioenwet als de loonbelasting. Partnerpensioen voor bijvoorbeeld een kleinkind of een broer of zus is niet langer mogelijk.
  1. Netto pensioen

Het netto pensioen blijft bestaan voor het inkomen boven de fiscale aftoppingsgrens (jaarlijks geïndexeerd). Het wordt uit het nettoloon betaald, is vrijgesteld in box 3 en de uitkeringen zijn onbelast. De omkeerregel is niet van toepassing.

  • De premiegrens volgt de brutoregels, gecorrigeerd met de netto factor.
  • Voor bestaande netto staffels geldt geen eerbiedigende werking. Omdat het een vrijwillige regeling betreft, blijft een progressieve premie mogelijk.
  1. Overgangsrecht en transitie
  • Bestaande regelingen moeten uiterlijk op 1 januari 2028 binnen het nieuwe kader vallen. Het nieuwe fiscale kader geldt niet voor dienstjaren van vóór 2023.
  • Progressieve premies bij een verzekeraar of PPI kennen eerbiedigende werking, mits de regeling op 31 december 2022 bestond en daarna alleen op ondergeschikte punten wijzigt. Deze eerbiedigende werking geldt niet voor werknemers die na het einde van de transitieperiode in dienst treden.
  • Bij een wijziging van meer dan ondergeschikt belang moet worden overgestapt naar de leeftijdsafhankelijke staffel van artikel 38r (rekenrente 1,5%) of naar een vlakke premie.
  • Bij invaren gaat het nieuwe fiscale kader ook voor de ingevaren aanspraken gelden. Het nabestaandenpensioen moet herleidbaar blijven, met name bij overlijden of scheiding.
  • Voldoet de regeling niet tijdig, dan vervalt de omkeerregel. De aanspraak wordt progressief belast en er is maximaal 20% revisierente verschuldigd.

 

  1. Compensatie van het pensioengat

De overgang naar een vlakke premie kan voor bepaalde leeftijdscohorten een pensioengat veroorzaken. Daarvoor is een compensatiemogelijkheid gecreëerd (artikel 38s Wet LB en artikel 150f Pensioenwet).

  • De premiegrens wordt tijdelijk met 3 procentpunt verhoogd, tot 33%.
  • De compensatie betreft gemiste toekomstige opbouw en geldt uitsluitend voor actieve deelnemers.
  • Inleg voor compensatie is mogelijk tot uiterlijk 31 december 2036.
  1. Lijfrente (derde pijler)

De derde pijler wordt grotendeels gelijkgetrokken met de tweede pijler. De lijfrentevormen zelf wijzigen nauwelijks.

  • De jaarruimte stijgt fors: het opbouwpercentage gaat van 13,3% naar 30% van de premiegrondslag, met dezelfde franchise als in de tweede pijler. De factor A (× 6,27) wordt vervangen door de in de pensioenregeling ingelegde premies voor ouderdomspensioen (exclusief compensatiepremie), vermeerderd met de netto pensioenpremie gedeeld door de netto factor.
  • De lijfrentepremie is aftrekbaar tot vijf jaar na de AOW-leeftijd.
  • De reserveringsruimte wordt eenvoudiger en ruimer: het percentage van 17 vervalt en er resteert een jaarlijks geïndexeerd maximumbedrag. De inhaaltermijn gaat van zeven naar tien jaar.
  1. Wet bedrag ineens (geplande ingangsdatum is 1 januari 2029)

Op de ingangsdatum kan maximaal 10% van het ouderdomspensioen en van het lijfrentekapitaal worden afgekocht. De besteding van dit bedrag is vrij.

  • De afkoop geldt uitsluitend voor het ouderdomspensioen, alleen op de ingangsdatum en bij de uitvoerder, en is niet te combineren met de hoog/laag-constructie.
  • Het restant moet boven de afkoopgrens voor kleine pensioenen blijven. Bij verlaging van het partnerpensioen is toestemming van de partner vereist.
  • Voor de heffing speelt de AOW-geboortemaandproblematiek. Uitstel van uitbetaling tot februari van het volgende jaar is alleen mogelijk voor wie op de AOW-leeftijd met pensioen gaat.
  • De uitkeringsreeks wordt: eerst 90% periodieke uitkering, dan 10% bedrag ineens, daarna opnieuw 90% periodieke uitkering. Bij overlijden vóór de uitbetaling vervalt het bedrag ineens zelf en wordt uitsluitend het verschil tussen 100% en 90% over de reeds verstreken periode nabetaald aan de erven.
  • Ook netto pensioen en netto lijfrente zijn afkoopbaar. Bij lijfrente geldt de regeling uitsluitend voor de oudedaglijfrente en de tijdelijke oudedaglijfrente.

 

  1. Overig
  • Experimenteerruimte voor zelfstandigen: zelfstandigen kunnen vrijwillig deelnemen aan een tweede pijlerregeling, met fiscale facilitering via de omkeerregel. De experimenten kennen een maximale looptijd van vijf jaar en voorzien in een exit regeling met waardeoverdracht naar de derde pijler.
  • Compensatiedepot: in het nieuwe stelsel geldt uitsluitend een fiscale begrenzing op de premie. Wordt het compensatiedepot uit een premieopslag gefinancierd, dan moet de totale premie binnen de grens blijven. Op de uitkeringen uit het compensatiedepot rust geen fiscale begrenzing.

Deze samenvatting geeft de fiscale hoofdlijnen weer en is geen vervanging van individueel advies.