Aeconsultancy



Hoge Raad: “Ondergrens werkingssfeer – verwaarloosbare activiteiten vallen niet onder verplichtstellingsbesluit”

Hoge Raad: “Ondergrens werkingssfeer – verwaarloosbare activiteiten vallen niet onder verplichtstellingsbesluit”

Verplichtstelling bedrijfstakpensioenfonds zonder drempelcriterium

Wat betekent het arrest van de Hoge Raad?

HR 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:795

Op 22 mei 2026 wees de Hoge Raad een arrest over de werkingssfeer van verplichtstellingsbesluiten voor bedrijfstakpensioenfondsen. Het arrest raakt een situatie die in de adviespraktijk regelmatig voorkomt: een werkgever is actief in een sector waarvoor een verplicht bedrijfstakpensioenfonds (bpf) geldt, maar de branche gerelateerde activiteiten maken slechts een beperkt deel van de totale bedrijfsvoering uit. Dit speelt in het bijzonder bij kleinere en gemengde ondernemingen — groothandels, installatiebedrijven, dienstverlenende bedrijven — die meerdere activiteiten combineren en daardoor potentieel onder de werkingssfeer van een voor hen niet-primair relevant bpf kunnen vallen.

De casus

Het verplichtstellingsbesluit van een bpf in de textiel- en modebranche (Bpf MITT) bevatte geen hoofdzaakcriterium of andere drempeleis. Daardoor werd in de praktijk sterk aangesloten bij de letterlijke tekst van het besluit: als een activiteit onder de omschrijving van de werkingssfeer viel, viel de werkgever eronder — ongeacht de omvang van die activiteit. De betrokken onderneming (Hazet) is een groothandel in schoonmaak- en hygiëneartikelen die haar klanten de mogelijkheid bood om werkkleding te voorzien van een bedrijfslogo. Die activiteit — goed voor gemiddeld 0,13% van de omzet — kwalificeerde Bpf MITT als het bewerken van kleding tot een ge- of verbruiksvoorwerp, waarmee Hazet volgens het fonds onder de werkingssfeer viel en verplicht deelnemer diende te zijn.

Het gerechtshof oordeelde dat Hazet weliswaar formeel onder de werkingssfeer viel, maar paste de verplichtstelling niet toe op grond van redelijkheid en billijkheid. Die benadering laat de tekst van het verplichtstellingsbesluit intact maar omzeilt de gevolgen ervan — een oplossing die in de rechtspraktijk als weinig bevredigend werd gezien. De Hoge Raad kiest een andere route en maakt daarmee ook de onderlinge verhouding tussen de twee toetsen duidelijker: de verwaarloosbare-schaaltoets is het primaire kader bij werkingssfeerdiscussies. De beperkende werking van redelijkheid en billijkheid komt pas aan de orde als die toets niet in het voordeel van de werkgever uitvalt.

Het oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad kiest een andere route. Via de cao-uitlegmethode — de standaardmethode voor uitleg van collectieve arbeidsrechtelijke regelingen waaronder verplichtstellingsbesluiten — legt hij het betreffende verplichtstellingsbesluit zo uit dat daarin een ondergrens besloten ligt. Dit is een uitleg van dit specifieke verplichtstellingsbesluit, niet de vaststelling van een nieuwe generieke wettelijke norm die voor alle bpf-verplichtstellingen geldt.

De redenering: een uitleg zonder enige ondergrens zou ertoe leiden dat werkgevers die vrijwel uitsluitend activiteiten verrichten die niets van doen hebben met de betreffende bedrijfstak, toch als deelname plichtig worden aangemerkt. Die uitkomst acht de Hoge Raad niet aannemelijk.

De Hoge Raad formuleert de norm als volgt:

Niet als werkgever in de zin van het verplichtstellingsbesluit kan worden aangemerkt de onderneming die in verhouding tot haar totale activiteiten, omzet, loonsom en/of arbeidsuren slechts op verwaarloosbare schaal activiteiten verricht die door het verplichtstellingsbesluit worden bestreken.

De zaak is terugverwezen naar het hof om te beoordelen of de betrokken werkgever aan dit criterium voldoet.

Wat dit arrest verandert

In de praktijk werd bij verplichtstellingsbesluiten zonder drempeleis vaak sterk aangesloten bij de tekst: aanwezig in de werkingssfeer betekende aansluiting plichtig. Het arrest nuanceert die benadering.

Voor de adviespraktijk zijn drie gevolgen relevant, al kan de uitwerking per verplichtstellingsbesluit verschillen — de redenering van de Hoge Raad is toegepast op een specifiek besluit en de vertaling naar andere besluiten vereist telkens een eigen beoordeling.

Ten eerste verschuift de werkingssfeerbeoordeling. Het ontbreken van een drempel in het verplichtstellingsbesluit is geen afdoend argument voor aansluiting meer. De beoordeling omvat voortaan ook de vraag of de relevante activiteiten meer dan verwaarloosbaar zijn. Dat vergt een feitelijke analyse van de activiteitenmix: omzet, loonsom en arbeidsuren per categorie.

Ten tweede roept het arrest vragen op over historische aansluitingen. Werkgevers die premies hebben betaald terwijl hun relevante activiteiten verwaarloosbaar waren, hebben mogelijk een grond voor terugvordering. De grondslag daarvoor is onverschuldigde betaling; de vordering verjaart op grond van artikel 3:309 BW vijf jaar na het moment waarop de schuldeiser bekend werd met het bestaan van de vordering en de persoon van de schuldenaar. In de praktijk loopt die termijn per premiejaar afzonderlijk, waardoor voor de vroegste jaren de vordering al verjaard kan zijn. Of terugvordering in een concreet geval standhoudt, is sterk afhankelijk van de feiten: fondsen zullen veelal aanvoeren dat de werkgever destijds de aansluiting heeft geaccepteerd zonder voorbehoud of protest. Succes is geen gegeven en vereist per geval een separate juridische analyse.

Ten derde werkt de redenering door naar andere verplichtstellingsbesluiten zonder drempeleis, ongeacht de branche. De precieze uitwerking verschilt echter per besluit: de redactie, de brancheomschrijving en de totstandkomingsgeschiedenis zijn alle van invloed op de uitleg. Generaliseren zonder die beoordeling is niet verantwoord.

De openstaande vraag: wat is ‘verwaarloosbaar’?

Het arrest introduceert een criterium maar geeft geen invulling. De Hoge Raad noemt geen percentage en geeft geen weging tussen omzet, loonsom en arbeidsuren. De invulling van het begrip is nadrukkelijk doorgeschoven naar het verwijzingshof. Tot die uitspraak er is, geldt alleen de richting — geen norm.

Uit eerdere lagere rechtspraak komen uiteenlopende ijkpunten: kantonrechters hanteerden soms minder dan 5%, anderen beoordeelden 24% als niet-verwaarloosbaar. Die variatie illustreert dat er vooralsnog geen vaste grens bestaat. Ter illustratie — uitdrukkelijk niet als richtlijn van de Hoge Raad — kan worden gedacht aan activiteiten die minder dan circa 5% van de totale omzet, loonsom én arbeidsuren beslaan en in de bedrijfsvoering geen zelfstandige betekenis hebben. Dit is een pragmatische inschatting op basis van lagere rechtspraak, niet meer dan dat.

Vanuit de adviespraktijk wordt gepleit voor een eenduidig hoofdzaakcriterium: meer dan 50% van de loonsom of de gewerkte uren toe te rekenen aan de relevante brancheactiviteiten. Dat criterium is bij de meeste bpf’en al verankerd in het verplichtstellingsbesluit en biedt duidelijkheid die de huidige norm mist.

Kwaliteit van verplichtstellingsbesluiten

Het arrest raakt aan een al langer levende kritiek: verplichtstellingsbesluiten zijn in veel gevallen onvoldoende helder over de reikwijdte van de werkingssfeer. De besluiten zijn vaak ruim geformuleerd, wat ruimte laat voor discussie over de grens van de werkingssfeer. Dat legt een last bij de adviespraktijk die vermijdbaar is.

Sociale partners en de minister zullen hun verplichtstellingsbesluiten moeten heroverwegen. Voor fondsen zonder drempeleis is aanpassing geboden. Adviseurs doen er goed aan de tekstwijzigingen van toepasselijke besluiten na dit arrest nauwgezet te volgen.

Aandachtspunten voor de adviespraktijk

  • Voer bij iedere werkingssfeerbeoordeling waarbij het verplichtstellingsbesluit geen hoofdzaakcriterium bevat ook de verwaarloosbaarheidsvraag uit. Leg de activiteitenmix van de werkgever vast op basis van omzet, loonsom en arbeidsuren per activiteitencategorie. Dit geldt in het bijzonder bij gemengde ondernemingen.
  • Beoordeel bij werkgevers met een bestaande aansluiting bij een bpf zonder drempeleis of de branche gerelateerde activiteiten verwaarloosbaar zijn. Zo ja: bespreek de mogelijkheid van ontsluiting. Bij historische premiebetalingen is terugvordering denkbaar, maar succes hangt sterk af van de concrete feiten, waaronder de houding van de werkgever bij de aansluiting destijds.
  • Bewaak verjaringstermijnen nauwkeurig. De verjaringstermijn loopt per premiejaar afzonderlijk. Voor de vroegste premiejaren kan de vordering al verjaard zijn. Controleer dit per dossier.
  • Laat aansluitingstermijnen van een bpf niet verstrijken zonder inhoudelijk verweer als de verwaarloosbaarheidsvraag speelt. Het criterium is niet ‘verricht de werkgever een activiteit die onder de werkingssfeer valt’, maar ‘is die activiteit meer dan verwaarloosbaar’.
  • Wees alert op de eigen zorgplicht. Adviseurs die werkgevers in het verleden hebben geadviseerd zich aan te sluiten zonder de verwaarloosbaarheid van de brancheactiviteiten te beoordelen, kunnen vragen over de kwaliteit van dat advies krijgen. Documenteer het adviesproces. Daarnaast kan proactief informeren van bestaande cliënten over dit arrest onderdeel zijn van de zorgplicht. Adviseurs doen er goed aan hun cliëntenbestand te screenen op gevallen waarbij een verwaarloosbare activiteit eerder heeft geleid tot een aansluitingsplicht, en die cliënten te informeren over de nieuwe mogelijkheden die dit arrest biedt. Wie dat nalaat, loopt het risico later te worden aangesproken op het feit dat de cliënt niet tijdig is gewezen op een mogelijke terugvorderingsgrond of op de heroverweging van een lopende aansluiting.
  • Hanteer de 5%-inschatting uitsluitend als illustratief gegeven op basis van lagere rechtspraak, niet als norm. Communiceer dat ook richting cliënten. De vervolguitspraak van het verwijzingshof is bepalend.
  • Volg wijzigingen in verplichtstellingsbesluiten. Nieuwe tekstversies kunnen bestaande onzekerheid wegnemen maar ook nieuwe afgrenzingsvragen oproepen.

Het recht is op dit punt in beweging. De uitkomst van de verwijzingsprocedure en de respons van bedrijfstakpensioenfondsen op dit arrest bepalen in welke mate de huidige onduidelijkheid wordt weggenomen — of verder vergroot.

 

Hoge Raad: “Ondergrens werkingssfeer – verwaarloosbare activiteiten vallen niet onder verplichtstellingsbesluit”